Dit artikel is geschreven door farmaciestudent Donna Knoups.
De aanleiding voor het gesprek was een telefoontje van een patiënt. Ze was een nieuwe patiënt in de apotheek en wilde daarom, met de apotheker, haar medicatie bespreken middels een Medicatiebeoordeling (MBO). Het ging om ongeveer zeven verschillende medicijnen voor de behandeling tegen mestcelactivatiesyndroom, klachten die waren ontstaan na long-COVID.
Tijdens het gesprek werd de voorgeschreven medicatie besproken. Toen Roel vroeg of de patiënt nog vitamines of supplementen gebruikte, haalde ze uit haar tas ongeveer tien verschillende vitamine- en mineralenpreparaten. Het ging onder andere om calcium, magnesium en vitamine K. De patiënt gebruikte deze supplementen op advies van een diëtist. “Dat advies was op zichzelf niet vreemd, maar het is wel belangrijk om te kijken of de combinatie van haar voorgeschreven medicijnen en zelf aangeschafte preparaten geen interacties veroorzaken”, vertelt Roel.
Bij deze patiënt leverde het geen interacties op, maar het gesprek maakte wel duidelijk dat het belangrijk is om de supplementen onderdeel te maken van de medicatiebewaking. De gebruikte preparaten werden daarom toegevoegd aan haar medicatiedossier. Dat was een behoorlijke administratieve handeling, maar juist daarin zit volgens Roel een belangrijke meerwaarde. Wanneer in de toekomst nieuwe medicatie wordt voorgeschreven, kan ook rekening worden gehouden met de supplementen die de patiënt gebruikt. Daarmee is de informatie ook beschikbaar voor toekomstige medicatiebewaking. “Ik zie daarin ook een samenwerking met bijvoorbeeld een diëtist. Wanneer de diëtist via ons de supplementen laat aanleveren, kunnen wij dat gelijk verwerken in het systeem en controleren op mogelijke interacties.”, aldus Roel

Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat patiënten vitamines en supplementen vaak anders zien dan medicatie. Een supplement voelt voor veel mensen als iets onschuldigs. Toch kunnen bepaalde vitamines en mineralen wel degelijk relevant zijn bij medicatiegebruik. Zo kunnen metaalbevattende supplementen zoals magnesium, ijzer of calcium de opname van bepaalde geneesmiddelen beïnvloeden. Roel noemt als voorbeeld antibiotica. Wanneer een patiënt in de toekomst bijvoorbeeld ciprofloxacine of doxycycline zou gebruiken, is het belangrijk om rekening te houden met het gebruik van magnesium. De combinatie kan ervoor zorgen dat het antibioticum minder goed wordt opgenomen. “Patiënten hebben soms nog allerlei middelen thuis liggen waarvan ze niet weten dat ze invloed kunnen hebben op hun medicijnen”, zegt Roel. “Als je daar niet naar vraagt, zie je het simpelweg niet.”
Voor Roel zit de belangrijkste les van deze casus dan ook niet alleen in het herkennen van mogelijke interacties, maar juist in het doorvragen om een zo volledig mogelijk beeld van de patiënt te krijgen. “Je kunt van tevoren nooit voorspellen wat je tijdens zo’n gesprek tegenkomt. Je kunt ook niet voorspellen of iemand bijvoorbeeld tien vitaminepreparaten gebruikt, of dat iemand nog allerlei andere middelen thuis heeft liggen.” Juist daarom vindt hij het belangrijk dat dit soort vragen een vast onderdeel zijn van een MBO.
“Soms zit de waarde van de apotheker niet in een ingewikkelde interventie, maar in één extra vraag en het nemen van de tijd om het volledige plaatje te bekijken. Een vraag als ‘Gebruikt u naast uw medicijnen nog vitamines of supplementen?’ lijkt eenvoudig. Maar juist het antwoord kan aanleiding zijn voor een gesprek dat veel meer inzicht geeft in het medicatiegebruik van een patiënt. En soms is dat precies waar goede medicatiebewaking begint.”